
Na de moord in Parijs op de Duitse diplomaat Ernst Eduard von Rath op 9 november 1938 door de joodse Herschel Grynszpan werden in de nacht van 9 op 10 november 1938 in heel Duitsland joden aangevallen. Er werden 267 synagogen in brand gestoken en ongeveer 7500 winkels en bedrijven van joden vernield. Ook joodse huizen, scholen, begraafplaatsen en ziekenhuizen moesten het ontgelden. Tijdens deze ´Kristalnacht´ werden 92 joden vermoord. Ook in Oostenrijk en Sudetenland werden joden aangevallen en hun bezittingen vernield. Duizenden Duitse joden zochten hun toevlucht in Nederland, waar voor hen door de Nederlandse regering in 1939 in Westerbork een vluchtelingenkamp werd ingericht.
Vanwege de toenemende oorlogsdreiging - en de verhalen van de vluchtelingen - was er ook onder de Nederlandse joden grote onrust ontstaan over hun toekomst.
Aangezien er in de jaren '30 ook veel joden lid waren van de NSB, was Mussert vast besloten om dit probleem op humane wijze op te lossen.
Door de NSB-kamerleden Van Vessem en d'Ansembourg werd al 4 dagen na de 'Kristalnacht' aan de Eerste en Tweede Kamer een nota van Mussert aangeboden, waarin gepleit werd voor een 'Nationaal Joods Tehuis' in Suriname, Frans- en Brits Guyana (emigratie naar het Britse mandaat Palestina werd indertijd door de Engelse regering tegengehouden in verband met de vele conflicten tussen joden en palestijnen.)

De reactie van de Nederlandse regering op het 'Plan-Mussert' was ronduit afwijzend. Het werd zowel door de Eerste als Tweede kamer afgekraakt, mede omdat men het te duur vond.
De Haagse zakenman Daniël Wolf van het 'International (Jewish) Refugee Colonisation Agency' stond echter helemaal achter Musserts plan, ondanks dat hij een fel tegenstander was van de NSB. Wolf nam persoonlijk contact op met de Gouverneur van Suriname, en zond deskundigen uit om de mogelijkheden te onderzoeken. Vanwege alle publiciteit rond Musserts plannen hadden zich inmiddels honderden joden bij Wolf aangemeld voor emigratie.


Het kabinet-Colijn, dat eerder het 'plan-Mussert' had verworpen, bleek nu - door de positieve reacties van de Joden - toch bereid te zijn om, weliswaar 'zeer sceptisch gestemd', het plan 'te overwegen', maar in wezen koos men voor een vertragingstactiek.

Begin 1940 was er nog steeds geen reactie van de regering, en dus voor de joden te laat om alsnog te vertrekken. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen. De gevolgen zijn bekend!
Tijdens zijn proces op 27 en 28 november 1945 zou Mussert over zijn Guyana-plan nog het volgende verklaren:
"Alles wat SS en SD was, was fel anti-NSB. Zij zeiden: 'De NSB is een prulbeweging en Mussert is een Jodenknecht, want hij heeft de brutaliteit gehad om in 1938 het plan voor te stellen de Joden uit Duitsland te halen'. Dat is zo geweest, Mijnheer de President. Toen de Jodenvervolging in Duitsland en gros geschiedde, heb ik gezegd: 'Ach en wee roepen helpt de mensen niet, zorg liever dat zij kunnen emigreren; wij hebben met Frankrijk en Engeland samen de beschikking over de drie Guyana's in Zuid-Amerika. Kunnen die mensen daar niet heen?'. Dit voorstel is plechtig gebracht naar het ambtsgebouw van de Minister-President door de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamerfracties der NSB. Men deed het niet; het voorstel werd met lach en hoon ontvangen en het antwoord was: 'De NSB'ers moeten maar naar Guyana gaan!'. Had men indertijd dit plan uitgevoerd, aan honderdduizenden Joden zou het leven gered zijn. Wij waren dus de enigen, die een behoorlijk bruikbaar voorstel hebben gedaan om de Joden te redden. Daarom was ik van dat ogenblik af in bepaalde Duitse Nationaal-Socialistische kringen de Jodenknecht."

Volgens de historicus Chris van der Heijden in zijn boek 'Joodse NSB'ers' had het Guyana-plan 'met principieel antisemitisme niets te maken', wel met 'vermeende overbevolking'. Het ging slechts om joden die na 1914 naar Nederland waren gekomen. Had de toenmalige Nederlandse regering het plan maar serieus genomen, 'er zouden velen zijn gespaard'.
(Chris Van der Heijden, Joodse NSB’ers, 2006, p. 29-30.)
Gerard