
'Met zijn plannetje om roverhoofdman te spelen voorzie ik nog vele moeilijkheden'. Met deze zin karakteriseerde de minister van Oorlog Lidth de Jeude in augustus 1944 in Londen de door koningin Wilhelmina doorgedreven benoeming van prins Bernhard tot bevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten .
De BS zou worden gevormd uit leden van de verzetsbeweging in de bevrijde delen van Nederland. Die benoeming was door de Koningin afgekondigd nog voordat de regering een handtekening onder een desbetreffend besluit had kunnen zetten.

Na de benoeming noteerde Wilhelmina dan ook euforisch: 'Nu heeft Bernhard eindelijk zijn bestemming bereikt. Hij heeft de mooie, eervolle opdracht gekregen, het bevel voerende over onze jongens, schouder aan schouder met hen en onze bondgenoten de vaderlandse bodem te bevrijden'.
(De benoeming stond op 4 september 1944 ook vermeld in de New York Harald Tribune. De in Forest Hills (N.Y.) wonende geëmigreerde Rotterdammer E.J. Zilver reageerde op 11 september 1944 met een ingezonden brief. Hij schreef: 'Mijn blijde verwachtingen omtrent de snelle bevrijding van Nederland zijn op treurige wijze bedorven, toen ik in Uw krant las dat prins Bernhard, een voormalig lid van de nazi-Schutz Staffel, Hitlers eigen lijfwacht, tot bevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten was benoemd. Ik beschouw die benoeming als een uitermate provocerende belediging van het volk dat meer dan vier jaren heeft geleden onder de nazi-tirannie'.)
Ook binnen het Nederlandse verzet was niet iedereen blij met de benoeming van prins Bernhard.

Eigenlijk had Wilhelmina gewild dat de Prins opperbevelhebber van de krijgsmacht zou zijn geworden. Zij vond dat na de bevrijding van Nederland van haar de beslissende impulsen moesten uitgaan tot staatkundige vernieuwing van Nederland met een grote macht voor de Oranjes. Van het kabinet in Londen en van de vooroorlogse politieke partijen had zij geen enkele verwachting. Wanneer de Prins opperbevelhebber zou zijn, dan zou haar persoonlijke invloed ook groter zijn. Zij was er van verzekerd dat de Prins haar geheel terzijde zou staan. Klik HIER voor de bijzonderheden.
De benoeming van Bernhard tot opperbevelhebber van de krijgsmacht was echter tegen de zin van de regering, die volledig besefte dat de koningin dan veel te veel invloed zou krijgen. Toen Wilhelmina vol ongeduld begon aan te dringen, aarzelden de ministers niet met hun portefeuilles te zwaaien. De benoeming ging tot woede van Wilhelmina dus niet door.
De houding van de regering in Londen werd voor een belangrijk deel bepaald door het feit dat er in het al bevrijde deel van Nederland sterke weerstanden waren ontstaan tegen de BS, die onder de verantwoordelijkheid van de Prins de arrestaties van zogenaamde foute Nederlanders hadden uitgevoerd.
Eind 1944 was men in bepaalde delen van het bevrijde zuiden van Nederland dusdanig in het wilde weg aan het oppakken geslagen dat felle reacties van de bevolking niet konden uitblijven.
De procureur-generaal in Den Bosch, baron Speyart van Woerden, vermeldde later dat hij wat de BS betrof had horen spreken van 'de Gestapo van de Prins'. Iedereen werd vastgezet die werd aangegeven, onder het motto: 'wij kunnen beter honderd mensen onverdiend vastzetten dan er één die het wel verdient heeft te laten lopen'.
Op zich zou met een dergelijke houding geen groot kwaad zijn geschied, wanneer onmiddellijk na de arrestatie voldoende controle zou zijn uitgeoefend door mensen te verhoren en eventueel direct weer vrij te laten. Maar wie eenmaal in de kampen zat, bleef daar ook. Al was hij of zij absoluut onschuldig. Men schatte dat er tot en met juni 1945 een kleine 5000 personen ten onrechte door de BS zijn opgepakt. Een getuigenis van een rancuneuze buurman of een doortrapte concurrent was voldoende om iemand enige tijd in een kamp te doen belanden. Zo werden er op 30 juni 1945 in Vught negentien mannen vrijgelaten die al vanaf november 1944 volstrekt onschuldig gevangen hadden gezeten. Veel mensen in de kampen werden door de BS behandeld op een manier die rechtstreeks van de Nazi's was afgekeken.
(In 1950 schreef mr. A.M. baron van Tuyll van Serooskerken in een nota: 'Het onderzoek heeft uitgemaakt, dat nagenoeg alom bewakers zich niet hebben ontzien weerloze mensen te kwellen en te mishandelen, waarbij door de Duitsers gedurende de bezetting toegepaste methoden zijn overgenomen'.)
En wat te denken van de vier zwangere vrouwen die volstrekt onschuldig waren opgesloten in de Scheveningse strafgevangenis. Bij een van de vrouwen heeft een BS'er na haar arrestatie 'voor de grap' nog een gummiknuppel in haar vagina gestopt om zogenaamd 'het kleine Mussertje er uit te halen'. De zaak van deze vier onschuldige vrouwen is zelfs in december 1945 aan de orde geweest in de Tweede Kamer.

Regelmatig moest de NBS (de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) rehabilitaties in de krant plaatsen van de door hen ten onrechte opgepakte mannen en vrouwen die vaak maandenlang onschuldig in een interneringskamp hadden doorgebracht.
Door onvoldoende selectie konden in Bernhards BS elementen binnendringen die zelf in de gevangenis thuis hoorden in plaats van in een arrestatieteam. Bernhards legertje had een enorme werfkracht en iedere 'goede vaderlander' was welkom. Het aanmelden gaf totaal geen problemen. Je moest bijvoorbeeld voor twee tafeltjes verschijnen. Aan het ene werd gevraagd of je een goed Nederlander was. Na het 'ja' kwam je bij het tweede tafeltje, waar de oranje-armband werd uitgereikt.
De BS maakte er een dusdanige puinhoop van dat premier Gerbrandy eind 1944 in een brandbrief aan koningin Wilhelmina schreef: 'Nog staat het gezag van het Oranjehuis zeer hoog, het is echter niet te ontkennen dat dat van prins Bernhard gevaar begint te lopen'.
De vele discussies rond het optreden van de BS waren ook niet voorbijgegaan aan het geallieerde hoofdkwartier. Dat liet in december 1944 aan prins Bernhard weten dat zijn BS beter opgeheven kon worden. De Prins wendde zich tot het hoofdkwartier van generaal Eisenhower en wist door zijn persoonlijke inzet het voortbestaan van 'zijn BS' te redden, al kreeg hij wel te horen dat de leden van de Binnenlandse Strijdkrachten geen verslagen Duitsers mochten ontwapenen. 'Een trap in mijn maag' noemde de Prins dat tijdens een interview in 1962.
Klik HIER voor nog meer bijzonderheden over de Binnenlandse Strijdkrachten na de bevrijding.
Gerard